Direct naar hoofdmenu / zoekveld

Agendapunt 5 (Bijlage) - Bestuursakkoord Jeugd Feijenoord














BESTUURSAKKOORD


JEUGD ROTTERDAM 2008 -2010



VAN


GEMEENTE ROTTERDAM


MET

DEELGEMEENTE


FEIJENOORD



INHOUD


Inleiding


1 Basisvoorzieningen en zorgstructuur opvoeden & opgroeien 4

1.1 Centrum voor Jeugd en Gezin (JONG) 4

1.2 Wijkprogrammering opvoed- en opgroeisteun 4

1.3 Verankering vroegsignalering in werkwijze van instellingen 5

1.4 Inzet deelgemeentelijk AMW voor nazorg gezinscoaching 6

1.5 Inzet deelgemeentelijk AMW voor SMW 6

2 Ketenoverstijgende aanpak van risicojeugd en risicogezinnen 8

2.1 Herijking netwerkenstructuur 8

2.2 Kwaliteitsslag DOSA 9

2.3 Groepsaanpak Beke voor overlastgevende en criminele jeugd 9

2.4 Nazorg na jeugddetentie 9

3 Meer leertijd voor kinderen en gebiedsgerichte programmering 11

3.1 Voor- en vroegschoolse educatie 11

3.2 Informatie en toeleiding bij schoolkeuze 12

3.3 Programmering aanbod jeugd via brede school arrangementen 13

3.4 JKZ-structuur als spil voor wijkprogrammering jeugd 13

3.5 CtC als basis voor effectiever prioriteren en programmeren 14

3.6 Kindvriendelijke wijken (KIWI) 14

4 Effectief jongerenwerk 15

5 Stimulering van jeugdparticipatie 16

Bijlage1a: Subsidievoorwaarden schoolmaatschappelijk werk 17

Bijlage 1b: Verantwoordingsformat Subsidie SMW 18

Inleiding


Het investeren in opvoeding, onderwijs en deelname van de jeugd in de samenleving is een gedeelde verantwoordelijkheid. Zowel stedelijke als deelgemeentelijke beleidsprioriteiten zijn gericht op het waarborgen van een sluitende keten en een dekkend aanbod van basisvoorzieningen en een vroegtijdige signalering en adequate aanpak van risico’s en problemen op het terrein van de opvoeding, het opgroeien en sociaal maatschappelijk functioneren van jeugd en gezinnen. Daarom is afgesproken dat er ook in deze bestuursperiode afspraken gemaakt worden tussen het College en deelgemeentebesturen om gezamenlijk te investeren in integraal jeugdbeleid.

Doel van de afspraken is om de samenwerking tussen stad en deelgemeenten zoals die de afgelopen jaren is gegroeid verder te ontwikkelen en te verankeren. Gezamenlijke investeringen en programmering op basis van grondige analyses en onderbouwde inzichten zijn nodig om het voorzieningenniveau voor Rotterdamse jeugd en gezinnen – in kwantitatieve en kwalitatieve zin te verbeteren. Ieder kind wint, de ontwikkeling van brede school en jeugdkansenzones en andere (wijk)actieplannen bieden daarvoor een kader.

Het gezamenlijke doel is om voorzieningen en aanbod via gebiedsgerichte inzet en programmering zo goed mogelijk af te stemmen op de aanwezige populatie en problematiek. Inzet van specifieke instrumenten zoals het elektronisch kinddossier, SISA en CtC en de inrichting en verdere versterking van netwerken rond CJG, onderwijs en DOSA zijn daarop afgestemd. En het stellen van eisen en grenzen, aanpak van onvermogen en overlast, en het zonodig uitoefenen van drang en dwang zijn daarbij ook aan de orde.


Het Actieprogramma Risicojeugd, Meer leertijd voor kinderen en de actuele ontwikkelingen en discussies met betrekking tot wijkactieplannen, dagarrangementen en de aanpak van overlastgevende jeugd waren dus richtinggevend voor de nadere invulling van dit akkoord. E.e.a. is besproken via tafeltjesbijeenkomsten, bilateraal overleg, het stedelijk Jong-overleg en BOS. En uiteindelijk heeft dit geresulteerd in de nu voorliggende tekst waarin de doelstellingen en afspraken zijn verwoord en uitgesplitst naar:

  1. Basisvoorzieningen en zorgstructuur rond opvoeden & opgroeien

  2. Ketenoverstijgende aanpak van risicojeugd en risicogezinnen

  3. Meer leertijd voor kinderen en gebiedsgerichte programmering

  4. Effectief ambulant jongerenwerk

  5. Stimulering van jeugdparticipatie


Bij de voorbereidingen zijn uiteraard ook andere onderwerpen aan de orde geweest, zoals dialoog en partnerschap met ouders, voeding en beweging, multifunctionele accommodaties en buitenruimte en wijkactieplannen. Ook op die terreinen wordt samengewerkt en zijn (bestuurlijke) afspraken gemaakt, die echter niet allemaal in dit akkoord zijn opgenomen. Het akkoord is daarmee geen eindpunt, maar een tussenstand op hoofdlijnen. Het getuigt van de steeds meer geformaliseerde afstemming en samenwerking tussen stad en deelgemeenten. Het structurele ambtelijk en bestuurlijk overleg tussen stad en deelgemeenten – Jong en BOS – zullen worden benut voor periodieke uitwisseling, rapportage en evaluatie en een regelmatige update van de afspraken die binnen en buiten dit akkoord aan de orde zijn.


1 Basisvoorzieningen en zorgstructuur opvoeden & opgroeien


Om te zorgen voor een dekkend aanbod en adequate zorgstructuur wordt er geïnvesteerd in de inrichting van Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) en geregisseerde netwerken.

Het CJG is de verbindende schakel tussen de preventieve en curatieve ketens van jeugd(gezondheids-) zorg die verantwoordelijk zijn voor het bieden van opvoed- en opgroeisteun voor jeugd en gezin. Zorgadviesteams (ZAT) zijn of worden de verbindende schakel voor het bieden van kindgerichte steun in en rond onderwijs. Via de inzet van schoolmaatschappelijk werk en een directe verbinding met de jeugdzorgketens wordt de samenwerking geregeld voor het aanpakken van meervoudige problematiek op het snijvlak tussen onderwijs, gezin en sociaal-maatschappelijk functioneren. En met het oog op een ononderbroken zorgstructuur voor 0-19 jarigen wordt ook geïnvesteerd in verbreding van de ZAT-structuur en het SMW naar de voorschoolse periode en de ROC’s.

Een adequate zorgstructuur betekent dat er ook wordt geïnvesteerd in gebiedsgerichte programmering van opvoed- en opgroeisteun voor jeugd en ouders in de wijk.

Om dit te kunnen realiseren worden er tussen stad en deelgemeente afspraken gemaakt met betrekking tot:

  • realisatie van het Centrumvoor Jeugd en Gezin (JONG)

  • wijkprogrammering opvoed- en opgroeisteun

  • verankering vroegsignalering in werkwijze van instellingen

  • inzet deelgemeentelijk welzijnswerk (AMW) voor nazorg gezinscoaching

  • inzet deelgemeentelijk welzijnswerk (AMW) voor schoolmaatschappelijk werk (SMW)



1.1Centrum voor Jeugd en Gezin (JONG)


Toelichting

Doel is dat er in 2010 in alle deelgemeenten CJG’s operationeel zijn. De reeds in vier deelgemeenten bestaande JONG-centra worden doorontwikkeld tot een CJG. Via inzet van JONG-coördinatoren wordt in alle deelgemeenten reeds invulling gegeven aan CJG-functies. Het CJG moet borg staan voor afstemming en samenhang in programmering van opvoed- en opgroeisteun, voor zorgcoördinatie en gerichte toeleiding naar andere vormen van hulp. \In de huisvesting van het CJG wordt rekening gehouden met een vergadertafel of fysieke huisvesting van DOSA. Waar mogelijk wordt ook ingezet op het ‘inhuizen’ van andere partners, waarmee wordt samengewerkt. Er is daarbij ruimte voor maatwerk, aansluitend bij afspraken en inzet op het terrein van wijkprogrammering opvoed- en opgroeisteun..


In 2007 is in Feijenoord het CJG JONG XL geopend dat voorziet in een volledig CJG-basisaanbod. Nadereafspraken zijn op dit moment niet aan de orde.



1.2Wijkprogrammering opvoed- en opgroeisteun


Toelichting

Inventarisatie heeft uitgewezen dat het aanbod voor opvoed- en opgroeisteun verschilt per deelgemeente en in het algemeen beperkt is, dat er niet altijd wordt gewerkt met effectieve programma’s en dat er veel te winnen is door betere afstemming en samenwerking.

Ter verbetering van het basisaanbod is de afgelopen jaren met inzet van VWS-middelen geïnvesteerd in o.a.Home Start en Eigen Kracht Conferenties. Dit aanbod wordt gecontinueerd en zo mogelijk verbreed.

En in aanvulling hierop wordt vanaf najaar 2007 geïnvesteerd in opvoedcursussen voor ouders (afgestemd op peuter-, basisschool- en puberleeftijd) en groepsgericht aanbod voor pubers (SOVA-trainingen, aanbod ‘tegendraadse jeugd’), jongeren met (beginnende) depressiviteit (Tip voor je dip), gezinnen met echtscheidingsproblematiek en tienermoeders.

Het uitgangspunt is dat er gewerkt wordt vanuit een gezamenlijke pedagogische visie en dat locale professionals van CJG, het welzijnswerk en andere instellingen in de deelgemeente ingezet en zonodig getraind worden om het in de praktijk uit te voeren. Op deze wijze kan dit aanbod onder leiding van CJG en de deelgemeente worden ingebed in het totale aanbod van opvoed- en opgroeisteun.

Jeugdplein ondersteunt het implementatietraject in de deelgemeenten en Stichting De Meeuw stimuleert de toeleidingsfunctie van ouderconsulenten en schooloudercontactpersonen.

Inbedding van het stedelijk aanbod in de bredere gebiedsgerichte programmering voor jeugd en ouders zal in JKZ-verband moeten gebeuren. En afspraken over inzet van het specifieke programma voor tegendraadse jeugd worden gemaakt in DOSA-verband.


AFSPRAKEN:


Ten behoeve van realisatie van een dekkend aanbod en goede afstemming tussen stedelijke en deelgemeentelijke programmering van opvoed- en opgroeisteun is inzicht noodzakelijk in aanwezige voorzieningen en aanbod.

  • In het kader van JKZ/CtC worden op stedelijk niveau concrete afspraken gemaakt over via de deelgemeenten aan te leveren informatie m.b.t. inzet, aanbod en bereik van deelgemeentelijke voorzieningen voor opvoed- en opgroeisteun.

  • De GGD zal zorgdragen voor periodieke rapportages – inclusief relevante gegevens op deelgemeenteniveau - over de inzet en resultaten van stedelijk basisaanbod voor opvoed- en opgroeisteun, zoals Gezinskracht, Eigen kracht conferenties, cursussen en casuïstiekoverleg.


In het kader van afstemming tussen de stedelijke en deelgemeentelijke basisprogrammering opvoedingsondersteuning worden nadere afspraken gemaakt over eventuele continuering van stedelijke financiering van Home Start.


Stedelijk basisaanbod sluit waarschijnlijk goed aan bij behoeften en aanbod in de deelgemeente. In het kader van het CtC traject worden met GGD/Jeugdplein nadere afspraken gemaakt over inbedding van het stedelijk aanbod in de deelgemeentelijke wijkprogrammering opvoed- en opgroeisteun (m.i.v. 2007).



1.3Verankering vroegsignalering in werkwijze van instellingen


Toelichting

Verankering van vroegsignalering in de werkwijze van instellingen is van cruciaal belang. Dit vereist een goed instrumentarium en aansturing en professionalisering van betrokken professionals en vrijwilligers die dagelijks met jeugd en ouders in aanraking komen.

De (deel)gemeente kan dit aansturen via subsidievoorwaarden en werkafspraken met betrokken instellingen.


- Registratie van signalen

Het SISA-signaleringssysteem wordt stadsbreed ingevoerd. Dit geautomatiseerde en via internet toegankelijke systeem, zorgt dat zorgsignalen op basis van risicoprofielen (SISA-signaal) en zorggevoelens (pré-signaal) vroegtijdig worden geregistreerd. Daarbij wordt voor ‘melders’ direct inzichtelijk als er meerdere organisaties zich zorgen maken of betrokken zijn bij zorg- of hulpverlening aan een kind1.

Bij twee of meer zorgsignalen ontstaat binnen het systeem een ‘match’, waarbij partijen van elkaars bemoeienis op de hoogte worden gesteld en de regie op de casus bij één van de partijen wordt belegd. SISA bewaakt vervolgens via eenvoudige rapportages de voortgang.

Wanneer het gaat om zorggevoelens van professionals (= pré-signaal) kunnen de professionals zelf in het systeem ‘kijken’ en onderling contact opnemen om informatie uit te wisselen.


- Meldcode voor professionals

Door het Steunpunt Huiselijk Geweld wordt, in overleg met betrokken beroepsgroepen, gewerkt aan implementatie van een meldcode voor professionals die signaleren of vermoeden dat er sprake is van kindermishandeling of ander huiselijk geweld. De meldcode biedt instellingen en professionals houvast en rugdekking, waardoor vroegtijdige melding gestimuleerd wordt. In overleg met de deelgemeenten wordt gezorgd dat relevante instellingen op de hoogte en betrokken worden bij de stadsbrede invoering van deze meldcode.


- Professionaliseringsaanbod voor professionals én vrijwilligers

Het stedelijke professionaliseringsaanbod wordt aangepast ten behoeve van grootschalige implementatie en verankering van vroegsignalering. In de training worden concrete vaardigheden aangeleerd die nodig zijn om vroegtijdig signalen van opvoed- en opgroeiproblemen op te pikken, te bespreken met betrokken ouders en jeugd en waar nodig te melden.

Er wordt hierbij dus expliciet inzichtelijk gemaakt welke afspraken in de stad gelden voor melding en registratie van zorggevoelens, zorgsignalen, zorgverlening en (vermoedens van) huiselijk geweld via CJG, professionele netwerken (mn. ZAT, DOSA en buurtnetwerken), SISA en AMK. .

Omdat het daarbij gaat om verschillende doelgroepen komt er een gedifferentieerd aanbod voor alle professionals en vrijwilligers die in de dagelijkse praktijk met kinderen en ouders werken. Een plan van aanpak hiervoor wordt begin 2008 gepresenteerd in het Jong-overleg.

Structurele afspraken met instellingen zijn vereist om de verworven deskundigheid op peil te houden.


AFSPRAKEN:


Ten behoeve van stedelijke implementatie van SISA worden door de deelgemeente bepalingen opgenomen in de subsidieafspraken met alle relevante instellingen. Dat kan via de volgende tekst:

  • U draagt zorg voor aansluiting bij het SISA-signaleringssysteem van de gemeente Rotterdam en voor melding van zorgsignalen conform de in de overeenkomst met SISA opgenomen afspraken over het hanteren van risicoprofielen en meldingsplicht.

Voor de realisatie van deze voorwaarde dient u binnen 2 maanden na het ontvangen van deze beschikking contact op te nemen met de stedelijke relatiemanager SISA.

De deelgemeente zendt afschrift van alle verleningsbeschikkingen waarin deze tekst voorkomt aan de stedelijke relatiemanager SISA.

De deelgemeente stimuleert via subsidie- en of werkafspraken implementatie van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en deelname aan het stedelijk professionaliseringsaanbod ‘Signaleren ... en dan’. Realisatie van deze afspraken is onderwerp voor monitoring en rapportage in deelgemeentelijke netwerken en (bestuurlijk) overleg met de GGD.


1.4Inzet deelgemeentelijk AMW voor nazorg gezinscoaching


Toelichting

Direct vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin worden lichtere vormen van gezinscoaching aangeboden (Gezinskracht). Daarnaast is er een stedelijk aanbod van zwaardere gezinscoaches (VIG, GAAF en IBAG). De gezinscoaches bieden 6 tot (maximaal) 12 maanden zeer intensieve hulp aan multiprobleem-gezinnen.

Belangrijk leerpunt uit de pilots is dat nazorg goed moet worden geregeld om te voorkomen dat gezinnen snel weer terugvallen. Gezinscoach is verantwoordelijk voor de totstandkoming en het opstarten van een nazorgplan. De follow-up is maatwerk, waarbij inzet vanuit AMW en andere (deel)gemeentelijke organisaties vereist kan zijn.

Gezinscoaches hebben daarom de opdracht om al na drie maanden een nazorgplan op te stellen en te starten met de organisatie daarvan. Soms is een Eigen kracht conferentie of een huisbezoekje van de jeugdverpleegkundige, die vanuit het CJG de vinger aan de pols houdt, voldoende. In andere gevallen is inzet van AMW het antwoord of blijkt dat alsnog een Jeugdzorgtraject of permanente intensieve thuiszorg nodig is om het gezin op de rails te houden. Om adequate nazorg te kunnen waarborgen zijn afspraken nodig met leverende instellingen. Zonodig legt de gezinscoach knelpunten bij de organisatie van het nazorgtraject op tafel bij de DOSA-regisseur.


AFSPRAAK


De deelgemeente maakt afspraken met leverende instellingen over prioritering van inzet voor nazorg gezinscoaching.


Ten behoeve van een gezamenlijke oplossing van knelpunten brengen de gemeente en deelgemeenten samen in kaart welk extra beroep er wordt gedaan op door de deelgemeenten gesubsidieerd AMW, ten gevolge van gemeentelijke programma’s zoals Ieder kind wint in Rotterdam en Aanpak Huiselijk Geweld. Op grond van deze inventarisatie wordt in onderling overleg bezien welke extra gemeentelijke middelen hiervoor nodig zijn en of en zo ja welke extra kosten eventueel gedekt kunnen worden door herschikking binnen de deelgemeentelijke begrotingen. Dat is onderwerp van nader overleg tussen stad en deelgemeente.



1.5Inzet deelgemeentelijk AMW voor SMW


Toelichting

Het schoolmaatschappelijk werk (SMW) is een wezenlijk onderdeel van de zorgstructuur rond het onderwijs. Het biedt ondersteuning aan de school en kortdurende hulpverlening aan ouders en leerlingen. Bij gedrags- of gezinsproblematiek initieert SMW zonodig de indicatiestelling van Bureau Jeugdzorg. Hierdoor wordt niet alleen zo snel mogelijk adequate hulp georganiseerd, maar wordt ook de daadwerkelijke vraag in kaart gebracht.

In dat verband is het momenteel de inzet van JOS om de zorgstructuur met SMW uit te breiden naar de voorscholen en het MBO.

Eerder is overeengekomen dat de deelgemeenten 50% bijdragen aan SMW tot een bereik van 6% van het SMW. De beoogde uitbreiding van dit bereik moet worden bekostigd door JOS en de schoolbesturen. JOS overlegt daarom met de schoolbesturen over de financiële mogelijkheden en concrete invulling van afspraken.

Het is van belang dat gemeente en deelgemeente de te stellen voorwaarden voor SMW met elkaar afstemmen, zodat de kerntaken en kwaliteit van het schoolmaatschappelijk werk gewaarborgd worden en onnodige bureaucratie wordt voorkomen..

Het Servicepunt schoolmaatschappelijk werk is gericht op het waarborgen en stimuleren van de kwaliteit en effectiviteit; een stedelijke expertgroep SMW stelt onder leiding van het Servicepunt vernieuwde kwaliteitsindicatoren op die breed worden geïmplementeerd. Het streven is zoveel mogelijk uniform te opereren en tegelijkertijd adequaat in te spelen op actuele ontwikkelingen. De stedelijke expertgroep kan daaraan bijdragen. Op basis van kengetallen en relevante informatie uit de praktijk kan de expertgroep gevraagd worden om periodieke monitoring en jaarlijkse rapportage en advies m.b.t. de kwaliteit en effectiviteit van SMW.


Verder is relevant dat de afgelopen periode de situatie is ontstaan waarbij scholen op grond van kwaliteit een vrije keuze maken voor een aanbieder van SMW. Er zijn echter deelgemeenten die hechten aan eenzelfde aanbieder voor AMW en SMW. Vanuit JOS wordt vrije keuze op basis van kwaliteit geëntameerd. Maar wanneer er op dit punt een discrepantie is tussen opvattingen van de deelgemeente en schoolbesturen zal JOS investeren in overleg met betrokken partners, zodat dit niet ten koste gaat van het deelgemeentelijke jeugdbeleid.


Onderstaande afspraken zijn erop gericht de uniformiteit, kwaliteit en effectiviteit van het schoolmaatschappelijk werk in de praktijk te waarborgen. Waar nodig zet JOS zich ervoor in om met schoolbesturen primair onderwijs dezelfde afspraken te maken dan wel te bevestigen. Uitgangspunt is dat er ook wordt gestreefd naar vereenvoudiging van de financiële en inhoudelijke verantwoording .


AFSPRAKEN:

Gemeente en deelgemeente komen overeen dat de kwaliteitscriteria zoals die zijn opgesteld door de stedelijke expertgroep de basis vormen voor het op te stellen werkplan tussen de scholen en de SMW-aanbiedende instellingen. In principe wordt terughoudend omgegaan met het stellen van aanvullende kwaliteitseisen.


Gemeente en deelgemeente komen overeen dat de stedelijke subsidievoorwaarden SMW  gehanteerd worden als basis voor de (subsidie)afspraken met alle aanbiedende instellingen voor schoolmaatschappelijk werk.

2Ketenoverstijgende aanpak van risicojeugd en risicogezinnen


Een belangrijke prioriteit in het Stedelijke actieprogramma risicojeugd is om ketenoverstijgende problematiek vroegtijdig te signaleren en adequaat aan te pakken.

De ZorgAdviesTeams (ZAT) van scholen en het CJG hebben elk hun eigen netwerk binnen de eigen onderwijs- c.q. jeugd(gezondheids)zorgketen, waarin ze opereren.

In het DOSA-afstemmingsoverleg (ook wel DOSA-vierkant genoemd) komen de ketens van het lokale veld - onderwijs, welzijn, zorg en repressie - bij elkaar. De DOSA-regisseur regisseert over de ketens heen. Daarom zitten in dit overleg de DOSA-regisseur, JONG-coördinator (CJG), voorpostfunctionaris (BJZ) en jeugdcoördinator (politie) bij elkaar.

Maar daarnaast zijn er Lokale Zorgnetwerken, Netwerken Huiselijk Geweld en buurtnetwerken die zich ook met casuïstiek bezighouden.

Belangrijk is dat de netwerken zodanig worden ingericht en beïnstrumenteerd, dat zij gezamenlijk borg kunnen staat voor een verbeterde ketenoverstijgende aanpak van risicojeugd en risicogezinnen inclusief een substantiële verkorting van doorlooptijden.


In de buitenruimte zijn jongerenwerkers en de politie de belangrijkste schakels als het gaat om contacten met jongeren die risico lopen of risicogedrag vertonen. Zeker ook als het gaat om jongeren die via reguliere kanalen moeilijk bereikbaar zijn en die te maken hebben met een opeenstapeling van problemen.

Er wordt stadsbreed geïnvesteerd in versterking van het jongerenwerk (zie onderdeel D van dit akkoord) en de groepsaanpak Beke en wettelijke verankering van FF Kappe (voor overlastgevende en criminele jeugd). Stad en deelgemeente zijn samen verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan in de praktijk. Tijdens de Conferentie ‘jeugd en overlast’ is met alle partners afgesproken dat op basis van de jeugdveiligheidsindex twintig wijken een speciale jeugdaanpak, vertaald in deelgemeentelijke actieprogramma’s (gereed 15 december 2007), krijgen. Ook komt er een stedelijk actieprogramma, onder de regie van de Jeugdconsul, waarin de actieprogramma’s per wijk, en ook stedelijke actiepunten, zoals de versteviging van DOSA, een plek hebben.

Specifieke aandacht is er voor begeleiding en nazorg voor jongeren in detentie.

De gemeente heeft in dit kader een regietaak. De Directie Veiligheid zet hiervoor een coördinatiepunt Nazorg op en er wordt een justitiemarinier ingezet voor het adequaat oplossen van problemen en het zonodig uitoefenen van doorzettingsmacht. Voor oplossingen in het deelgemeentelijk domein wordt de DOSA-regisseur ingezet. Er worden prestatieafspraken gemaakt over het aantal begeleidings- en nazorgtrajecten. Ook komen er intensieve begeleidingstrajecten voor veroordeelde jongeren tot 23 jaar.


Om ingezette ontwikkelingen door te zetten en te versterken zijn onderstaande afspraken opgenomen gericht op:

- herijking netwerkenstructuur

- kwaliteitsslag DOSA

- groepsaanpak Beke voor overlastgevende en criminele jeugd

- nazorg na detentie



2.1Herijking netwerkenstructuur


Toelichting

Verbeterde afstemming en samenwerking bij de aanpak van risicojeugd en risicogezinnen vereist investeren in een betere aansluiting en een zo efficiënt mogelijke organisatie van aanwezige netwerken. In de deelgemeente Delfshaven is daarom een verkennend onderzoek uitgezet (publicatie in december) om de netwerken in kaart te brengen, zicht te krijgen op de kwaliteit en effectiviteit van schakel- en makelfuncties, informatie-uitwisseling, doorlooptijden en de mogelijke verbeterpunten die daarbij naar voren komen. Daarbij is gebruik gemaakt van de opbrengsten van reeds uitgevoerde netwerk- en doelgroepanalyses zoals in deelgemeente Feijenoord.

Doel is om gebruik makend van die resultaten per deelgemeente met alle partners tot niet vrijblijvende afspraken te komen over afstemming, samenwerking en verkorting van doorlooptijden (van signaal tot actie).


AFSPRAAK:


JOS en de deelgemeenten spreken af dat de resultaten en aanbevelingen van verkennend onderzoek herijking netwerkenstructuur worden ingebracht in de lokale en stedelijke overlegstructuur. Op basis daarvan zullen er concrete afspraken worden gemaakt tussen stad en deelgemeente over herstructurering en beïnstrumentering van netwerken in stad en deelgemeente.



2.2Kwaliteitsslag DOSA


Toelichting

De DOSA-regisseur is de spin in het web, daar waar het gaat om de meldingen van jongeren met problemen op één of meerdere leefgebieden en/of overlastgevende jongeren.

Vanuit de onafhankelijke positie die de DOSA-regisseur inneemt, kan deze functioneren ‘boven de partijen’ en een makelende en verbindende rol vervullen tussen de verschillende ketens. Doorontwikkeling en kwaliteitsontwikkeling is hier het credo. Er is daarom een kwaliteitsslag met de DOSA’s ingezet. Deze richt zich o.a op de verbetering van de samenwerking en informatie-uitwisseling met (justitie)partners. DOSA gaat SMART werken, ook in de samenwerking met partners en DOSA zal de fase 3 en 4 (doorverwijzen naar en monitoren van ingezette trajecten) beter monitoren. Hiermee komt ook de kwantiteit/kwaliteit van de ingezette trajecten beter in beeld. Het DOSA-registratiesysteem wordt hierop aangepast en voldoet vanaf november aan het totale functie-eisenpakket van de DOSA-regisseurs. Ook wordt er een goede, nauwgezette aansluiting gerealiseerd met SISA. Implementatie van DOSA 4 wordt vanuit stedelijk DOSA-overleg goed gevolgd, zodat uitvoeringsproblemen zonodig direct kunnen worden opgelost of elders ingebracht.


Dit betekent dat er steeds meer kwaliteit en inzet wordt verwacht van de DOSA-regisseur als regievoerder over de ketens heen. De regisseur moet daarom zich volledig kunnen focussen op zijn taakstelling. Er wordt daarom geïnvesteerd in uitbreiding van capaciteit, verbetering van kwaliteit en dubbelfuncties moeten niet meer voorkomen.


AFSPRAAK:

De deelgemeente werkt mee aan realisatie van de kwaliteitsslag DOSA conform de stedelijke criteria (SMART werken, implementatie DOSA-registratiesysteem, aansluiting op SISA, geen oneigenlijke taken bij DOSA-regisseur).

De jeugdconsul draagt zorg voor inventarisatie van knelpunten en doet een voorstel om deze met inzet van stedelijk budget op te lossen



2.3Groepsaanpak Beke voor overlastgevende en criminele jeugd


Toelichting

Problematische jeugdgroepen worden met behulp van de zogenaamde Beke-shortlist geanalyseerd en ingedeeld in drie hoofdgroepen: hinderlijk, overlastgevend of crimineel. Daarnaast brengt de shortlist een aantal typerende kenmerken van groepen jongeren in kaart door middel van een vragenlijst, die door buurtagenten wordt ingevuld. Het gaat dan om het type jeugdgroep, de locatie waar ze zich bevindt, de samenstelling, grootte, sfeer en het karakter van de groep. Op basis hiervan wordt een plan van aanpak gemaakt in overleg met alle betrokken partners. De doelstelling van dit plan van aanpak richt zich op drie gebieden: de persoonsgerichte aanpak (en indien nodig een gezinsaanpak), de groepsgerichte aanpak en de domeingerichte aanpak. De deelgemeente voert de regie over de groepsaanpak en zorgt voor de aanstelling van een ambtelijk projectleider. Deze projectleider is binnen de deelgemeente eindverantwoordelijk voor de groepsaanpak. 


AFSPRAAK:

De deelgemeente is verantwoordelijk voor de regie op de groepsaanpak Beke en zorgt voor uitvoering hiervan conform stedelijke criteria en randvoorwaarden die betrekking hebben op:

  • methodische aanpak en prioriteitstelling;

  • inzet projectleider;

  • inzet vanuit deelgemeentelijke netwerken (personele inzet, aanlevering informatie op shortlist politie);

  • aanbod activiteiten en ondersteuning van doelgroepen;

  • In de geprioriteerde 20 wijken (n.a.v. Conferentie Jeugd&Overlast) worden alle groepen (voortkomend uit shortlist) aangepakt.



2.4Nazorg na jeugddetentie


Toelichting

De gemeente heeft van het Rijk de opdracht gekregen om de regie op de nazorg voor jongeren die uit detentie komen op zich te nemen. Doel is ervoor te zorgen dat alle jongeren die in detentie komen nazorg aangeboden krijgen. Directie Veiligheidheid zet een coördinatiepunt Nazorg op, waar wordt bijgehouden welke jongere waar in detentie zit, wanneer hij vrijkomt en wie zijn begeleider is. Vanuit dit coördinatiepunt wordt ingezet op het faciliteren van de organisaties die een rol hebben in nazorg. Voor oplossingen in het deelgemeentelijk domein wordt de DOSA-regisseur ingezet.  


In de Hartelborgt is (begin 2007) in opdracht van de gemeente een medewerker voor de gemeente gedetacheerd die deelneemt aan de Trajectcommissie (ook wel genoemd detentieoverleg of Netwerkberaad). Aan de Trajectcommissie nemen deel: Hartelborgt, gemeente, Kompascollege (detentieschool), Raad voor de kinderbescherming, Reclassering Nederland en Jeugdreclassering. Ook is met dezelfde partners en het Openbaar Ministerie in de zomer de stuurgroep van start gegaan (directeurenniveau).

Iedere jongere die in de Hartelborgt wordt geplaatst, krijgt een centrale intake binnen enkele werkdagen en wordt de week erop besproken in de Trajectcie. Voorafgaand aan de Trajectcie verzamelen alle partners zo veel mogelijk informatie, onder meer vanuit het lokale veld (via de DOSA-regisseur). In de Trajectcie worden iedere week afspraken gemaakt over jongeren: iedere jongere krijgt een trajectbegeleider toegewezen, en er wordt voor hem een plan gemaakt welke trajecten op welke leefgebieden door wie worden uitgevoerd en op welke termijn  (wonen, onderwijs, stage/werken, schulden, hulpverlening, gezinssituatie, vrije tijd) . Toegewerkt wordt naar reclasseringstoezicht voor elke jongere (100%), voor 75% van de jongeren verplicht JR-toezicht (doelstelling). De Raad voor de kinderbescherming is casusregisseur en Jeugdreclassering krijgt opdrachten van de  Raad en maakt een plan van aanpak en regisseert de nazorgactiviteiten. Er is standaard aandacht voor de gezinssituatie waarop zonodig ook actie wordt ingezet. Aan trajecten wordt gewerkt als de jongere nog in detentie zit. 

Verder werken de partners aan een procesbeschrijving om ieders taken te preciseren en er is een informatiesysteem in opbouw.

Deze pilot in de Hartelborgt waaraan de gemeente Rotterdam een belangrijke bijdrage levert, wordt landelijk als voorbeeld genomen; de bedoeling is dat ook in andere regio’s een vergelijkbaar detentieoverleg komt.


JOS subsidieert twee initiatieven voor plaatsing c.q. re-integratie van o.a. ex-gedetineerden, nl. het Educatief Centrum Horizon (voor jongeren tot 18 jaar) en de Nieuwe Kans Albeda (voor jongeren 18 – 23 jaar) voor jongeren die vanwege complexiteit aantoonbaar niet plaatsbaar zijn op andere reguliere voorzieningen. Potentiële kandidaten voor het Educatief Centrum worden aangemeld via Directie Veilig. De toegang tot ‘de Nieuwe Kans Albeda’ loopt via het jongerenloket.


AFSPRAAK:


DOSA-regisseurs investeren in nazorg na detentie en dragen zorg voor het voordragen van potentiële kandidaten voor de Nieuwe Kans aan het jongerenloket.

3 Meer leertijd voor kinderen en gebiedsgerichte programmering


In het Rotterdamse jeugdbeleid wordt hoge prioriteit toegekend aan het investeren in onderwijskansen, brede talentontwikkeling en burgerschapsvorming. Vandaar dat er tussen stad en deelgemeenten specifieke afspraken worden gemaakt met betrekking tot:

- voor- en vroegschoolse educatie

- informatie en toeleiding bij schoolkeuze

- programmering aanbod jeugd via brede school arrangementen

- JKZ-structuur als spil voor wijkprogrammering

- CtC als grondslag voor effectiever prioriteren en programmeren

- kindvriendelijke wijken


E.e.a. vereist gezamenlijke investeringen op diverse terreinen die in dit akkoord niet expliciet aan bod komen; zoals dialoog en partnerschap met ouders, voeding en beweging, burgerschap en materiële randvoorwaarden zoals multifunctionele accommodaties (MFA’s) en buitenruimte. Zo wordt in deze collegeperiode in samenwerking tussen stad en deelgemeente gestart met de ontwikkeling van dertien MFA's2.

Over dit soort onderwerpen zijn en worden in bilateraal verband de nodige (bestuurlijke) afspraken gemaakt via het reguliere ambtelijke en bestuurlijke overleg tussen stad, deelgemeente en schoolbesturen (Jong, BOS, ROF).



3.1Voor- en vroegschoolse educatie


Toelichting

De gemeentelijke doelstelling is 80% bereik 3-jarigen in voorschoolse voorzieningen, waarvan 90% van de aanwezige doelgroepkinderen een VVE-programma krijgt aangeboden. Doel van VVE is dat alle kinderen die ten gevolge van groeps- of kindgebonden kenmerken het risico lopen om achter te raken in hun ontwikkeling hiermee worden gestimuleerd en ondersteund, zodat dit zoveel mogelijk wordt voorkomen. In schooljaar 2006/ 2007 waren er 157 voorschoolse voorzieningen met VVE en in de loop van het jaar is een aantal flexibele VVE voorzieningen aangehaakt. In schooljaar 2007-2008 is gestart met de 8e tranche VVE (meer dan 30 % doelgroepkinderen, 4 dagdelen).

Ten behoeve van waarborging van kwaliteit en bereik wordt ook geïnvesteerd in de ontwikkeling en implementatie van een checklist VVE-kwaliteit en een registratiesysteem. En de diensten JOS en GGD zorgen ervoor dat de deelgemeenten ten behoeve van realisatie van kwantitatieve doelstellingen periodiek betrouwbaar cijfermateriaal krijgen op deelgemeentelijk en wijkniveau.

De deelgemeenten zijn verantwoordelijk voor de subsidiëring van een basisaanbod peuterspeelzaalwerk (2 dagdelen met beoogd bereik voorschoolse opvang – peuterspeelzalen én kinderdagverblijven - van 80%). Extra dagdelen en implementatie van VVE-programma’s worden stedelijk gefinancierd.



AFSPRAKEN:


De deelgemeente committeert zich aan de Rotterdamse VVE- doelstelling: 80 % van alle driejarigen maakt gebruik van een voorschoolse voorziening. Van de doelgroepkinderen die aan deze voorschoolse voorziening deelnemen volgt in 2009/2010 tenminste 90 % een programma voor- en vroegschoolse educatie. Tot de doelgroep behoren in ieder geval de kinderen waarvan de ouder(s) een laag opleidingsniveau hebben (lbo/ vbo of minder dan twee jaar voortgezet onderwijs), of waarvan de ouder(s) geboren zijn in een niet- westers land. De ambitie is om voor deze groep zo snel mogelijk door te groeien tot 100% bereik. De deelgemeente zorgt ervoor dat het basisaanbod3 toereikend is en blijft  



De VVE- kwaliteitseisen en VVE- subsidievoorwaarden zijn leidend in de VVE- besprekingen en (subsidie)afspraken tussen deelgemeente en welzijnsinstellingen/ peuterspeelzalen.


De deelgemeente informeert uiterlijk november 2007 de peuterspeelzalen/ welzijnsinstellingen over de vastgestelde ‘Verordening peuterspeelzaalwerk 2007’

De deelgemeente verzamelt knelpunten die ontstaan rond deze Verordening (o.a. oppervlakte binnen- en buitenspeelruimte) en rapporteert hierover uiterlijk 1 april 2008 aan JOS.


Consulenten van de wijkfelicitatiedienst bezoeken de ouders van tweejarigen en verwijzen gericht door naar de voorschoolse voorzieningen in de wijk; doelgroepkinderen krijgen hierbij een VVE - advies. In principe moet iedere deelgemeente gebruik kunnen maken van deze consulenten wijkfelicitatiedienst. Knelpunten worden opgelost.

De deelgemeente steunt dit beleid en verzorgt de werkplek en de werkbegeleiding. JOS informeert de deelgemeente over bereik en bijzonderheden van de inspanningen van de consulenten. De deelgemeente meldt eventuele knelpunten rond deze regeling bij JOS, waarna in onderling overleg wordt gezocht naar oplossingen.


JOS en deelgemeenten bespreken gezamenlijk de eindrapportages Inspectie ‘Toezicht op VVE’ 2007; eerste aandachtspunt hierbij is het taalniveau van leidsters op enkele VVE voorzieningen. Op basis van de uitkomsten van het inspectietoezicht VVE worden tussen stad en deelgemeenten nadere afspraken gemaakt over professionalisering en andere randvoorwaarden op het terrein van kwaliteit, registratie en overdracht die nodig zijn om VVE-doelstellingen te realiseren.


De inzet is om de ouderbijdrage voor doelgroepkinderen te maximeren op een niveau waardoor toegankelijkheid gewaarborgd is. In overleg tussen stad en deelgemeenten wordt hiervoor een voorstel uitgewerkt dat in 2008 kan worden ingevoerd. Hiervoor is stedelijk VVE-budget beschikbaar.


Verhoging van het VVE-bereik door middel van uitbreiding van VVE- flexibel en het VVE- programma op kinderdagverblijven zal starten in de volgende deelgemeenten: Centrum, Charlois, Delfshaven, Feijenoord, Hillegersberg-Schiebroek, Hoek van Holland, IJsselmonde, Kralingen-Crooswijk, Noord, Prins Alexander


De deelgemeente vult de registratielijst 2- en 3 jarigen aan en geeft eventuele fouten door vóór 1 december 2007.



3.2Informatie en toeleiding bij schoolkeuze


Toelichting

Essentieel voor integratie op school is de schoolkeuze. Inzet is dat de schoolpopulatie een afspiegeling is van de buurt. Voor de ouders van kinderen in de leeftijd van 1,5 tot 4 jaar worden er in die wijken waar een school of scholen geen afspiegeling van de buurt zijn door JOS ‘buurtcarrousels’ georganiseerd: ouders maken daarin op één dag kennis met alle scholen in hun buurt. In de komende periode wordt in alle gebieden waar tenminste één te witte of te zwarte school is, tweejaarlijks een oudercarrousel georganiseerd. Verkeersveiligheid is een aspect wat hierbij betrokken wordt.


Regelmatig leiden dergelijke carrousels tot ouderinitiatieven van allochtone en/of autochtone ouders die zich in willen zetten voor een gemengde buurtschool. Deze worden door de gemeente ondersteund..


AFSPRAAK:


De deelgemeente wordt door de dienst JOS geïnformeerd over de te organiseren voorlichtingscarrousels en desgewenst betrokken bij de organisatie daarvan.

De deelgemeenten worden geïnformeerd over de ouderinitiatieven in hun gebied.



3.3Programmering aanbod jeugd via brede school arrangementen


Toelichting

Via de Brede School wordt extra geïnvesteerd in aanpak van onderwijsachterstanden, brede talentontwikkeling en zinvolle vrijetijdsbesteding voor jeugd in PO en VO. Dat gebeurt door een verbinding te leggen tussen binnen- en buitenschools leren. Maatwerkarrangementen – ‘dagarrangementen PO’ en ‘varianten brede school VO’ - kunnen uiteenlopen van een combinatie van reguliere onderwijstijd met eenvoudige buitenschoolse opvang/ vrijetijdsbesteding, tot een volledig dagprogramma met een geïntegreerd educatief, sportief, (re)creatief en cultureel aanbod.

De gemeentelijke doelstelling is om in 2010 op tenminste 45 Brede Scholen in het basisonderwijs een programma van 6 uur extra per week voor alle kinderen vanaf groep 3 aan te bieden. In het voortgezet onderwijs wordt het aantal Brede Scholen uitgebreid naar 60, niet alleen op het VMBO, maar ook op HAVO en VWO. De doel­stelling is dat er in 2010 25 variant 2 en variant 3 Brede Schoollocaties in het voortgezet onderwijs zijn.

Zowel gemeente (via Brede School subsidies) als deelgemeente (via subsidie kinderwerk en jeugd/ en jongerenwerk) financieren het brede school aanbod. Het aanbod moet beter worden afgestemd op de aanwezige populatie en specifieke doelstellingen, zoals extra beweging, meer aanbod kunst en cultuur en versterking van sociale competenties. De CtC-aanpak en wijkprogrammering jeugd in JKZ-verband kunnen daaraan bijdragen. En in dat kader is dus ook de afstemming tussen de deelgemeentelijke programmering en de individuele brede schoolplannen aan de orde. Het streven is om in overleg tussen de stad en de deelgemeenten te komen tot een geobjectiveerde normering van het in te zetten subsidiebedrag voor kinderwerk en jeugd- en jongerenwerk.


AFSPRAKEN:

Gemeente en deelgemeente spreken af dat in afwachting van stedelijke normering 80% van het bestaande gesubsidieerd kinderwerk in de deelgemeente wordt ingezet in brede scholen (PO)4. De concrete invulling hiervan is onderwerp van afspraken over wijkprogrammering jeugd in JKZ-verband.


De gemeente en deelgemeenten ontwikkelen in onderling overleg en met inachtneming van uitkomsten CtC een normering voor inzet kinderwerk en jeugd- en jongerenwerk in brede scholen PO en VO.



3.4JKZ-structuur als spil voor wijkprogrammering jeugd


Toelichting

De JKZ is als ondersteunende structuur van groot belang om jeugdpartners bij elkaar te brengen op het niveau van de wijk. Het gaat dan vooral om pro-actief en preventief beleid. Geen casemanagement

Via de – in verschillende deelgemeente reeds operationele - overlegstructuur in de Jeugdkansenzone wordt voorzien in uitwisseling, afstemming en gezamenlijke inzet en programmering op het terrein van CtC VVE, Brede school en dagarrangementen PO en VO, kindvriendelijke wijken, Veilig Op School (12-) en ouderbetrokkenheid. Er vindt ook afstemming plaats (onder regie van CJG) met betrekking tot programmering van algemene en preventieve opvoed- en opgroeisteun.

De JKZ-structuur wordt grotendeels gefinancierd door de Gemeente via een doeluitkering waarvoor de deelgemeente een plan indient bij JOS.

Specifiek voor Veilig op school VO (VOS-VO) is er op deelgemeentelijk niveau een overleg. Dit is een goed middel om de scholen en de bondgenoten bij elkaar te brengen zodat ze samen kunnen werken aan veiligheid in en rondom scholen. Het gaat hier om pro-actief en preventief beleid.


AFSPRAKEN:


Gemeente en deelgemeente spreken af dat de deelgemeente de invoering en/of uitvoering van de JKZ-structuur 12- en 12+ faciliteert. Het ligt voor de hand dat dit voor 12- op wijkniveau en voor 12+ op deelgemeenteniveau opereert.

De Gemeente zal het opzetten en functioneren van deze structuur optimaal ondersteunen


Gemeente en deelgemeente spreken af dat de deelgemeente het VOS-overleg in de deelgemeente optimaal ondersteunt en – voorzover dat nog niet geregeld is – ook zorgdraagt voor de invoering daarvan..



3.5CtC als basis voor effectiever prioriteren en programmeren


Toelichting

Met Communities that Care beschikt de gemeente Rotterdam over een (regie-)instrument waarmee het jeugdbeleid op stedelijk, deelgemeentelijk en wijkniveau onderbouwd en versterkt kan worden. Dit van oorsprong Amerikaanse programma is erop gericht om via een wetenschappelijk onderbouwde data-analyse te komen tot een wijkprogrammering, gericht op de aanpak van de oorzaken van probleemgedrag. Naast versterking van beschermende factoren, zoals een aantrekkelijk aanbod voor de jeugd o.a. via de brede school, betekent dit een effectieve aanpak van aanwezige risico’s en problemen op het terrein van opvoeden en opgroeien: in het gezinsmilieu, de school, vrije tijdvoorzieningen en de vriendenkring.


Uitgangspunt is dat er zoveel mogelijk gewerkt moet worden met bewezen effectieve methodieken en programma’s. Binnen de in veel deelgemeenten reeds goed functionerende JKZ-overlegstructuur kan CtC worden benut om te komen tot een samenhangend en gebiedsgericht aanbod voor jeugd (en ouders).


AFSPRAAK:


De deelgemeente gaat in 2007-2008 werken met het programma CtC als analyse- en sturingsinstrument voor het preventief jeugdbeleid. De dienst JOS ondersteunt de deelgemeente en financiert de kosten van onderzoek, training en coaching in CtC



3.6Kindvriendelijke wijken (KIWI)


Toelichting

Er zijn 11 pilotwijken benoemd door het College. Daarvoor zijn concrete concepten uitgewerkt. Deze zijn soms toegespitst op een specifieke wijk, maar er zijn ook concepten die zich lenen voor verbreding naar andere wijken.

De gemeente zet nu in op deze 11 wijken en zal gezamenlijk met de deelgemeenten optrekken. Voor de andere wijken kan de deelgemeente het initiatief nemen en in een WAP kindvriendelijkheid als een belangrijk issue opnemen.


AFSPRAAK:


Gemeente en deelgemeente spreken af dat er gewerkt wordt aan een kindvriendelijker Rotterdam.

Voor de 11 pilotwijken KIWI ligt het initiatief hiervoor bij de deelgemeente. De gemeente zal optimaal faciliteren o.a. door het inzetten van beschikbare budgetten.

Met betrekking tot andere wijken is het aan de deelgemeenten om hierin te prioriteren en keuzes te maken voor invulling van deze beleidsdoelstelling. Waar dit betrekking heeft op WAP- en ‘prachtwijken’ en Pact op Zuid zal de gemeente waar mogelijk ondersteuning verlenen. .

4Effectief jongerenwerk


Toelichting

Het jongerenwerk levert een belangrijke bijdrage aan doel(groep)gerichte preventie en aanpak van risico’s en problemen rond het opgroeien van jongeren. En dat geldt met name bij het bereik en vervullen van brugfuncties naar moeilijk bereikbare groepen. Door contact te houden en informatie te verzamelen, activiteiten te organiseren en door hen zo nodig toe te leiden naar school of werk. Daarbij wordt samengewerkt met partners binnen DOSA en het Jongerenloket. In het kader van de Conferentie jeugd en overlast is afgesproken te investeren in een geïntensiveerde aanpak in 20 jeugdaandachtswijken. En ten behoeve van verbeterde kwaliteit en bereik van het jongerenwerk komen er 50 jongerenwerkers bij. Nadere afspraken over de inzet c.q. verdeling over de deelgemeenten worden gemaakt in het kader van uitvoering van het actieprogramma ‘ Ruimte bieden door grenzen stellen’...

Op basis van de inmiddels afgeronde beschrijving van de methodiek jongerenwerk en het bijbehorende competentieprofiel wordt geïnvesteerd in kwalitatieve verbetering via verbeterde opdrachtverlening richting instellingen en een professionaliseringstraject voor jongerenwerkers zelf. Daarbij is ook voorzien in het realiseren en implementeren van een informatie/registratiesysteem voor het jongerenwerk dat aansluit op de groepsaanpak Beke.

Naast deze kwaliteitsslag is er behoefte aan een geobjectiveerde normering en forse uitbreiding van het uitvoerend jongerenwerk. Deze moet worden gerelateerd aan de aanwezige populatie en uitkomsten van CtC-analyses.


In de stedelijke stuurgroep Ideaal Jongerenwerk werken vertegenwoordigers van deelgemeenten, uitvoeringsinstellingen, opleidinginstellingen, de brancheorganisatie BOSSR en de diensten JOS en DV samen om de beoogde doelstellingen te realiseren. Op onderdelen worden werkafspraken gemaakt.


AFSPRAKEN:


De deelgemeente zal in subsidie- en werkafspraken met welzijnsorganisaties over jongerenwerk de ‘methodiek Montfoort’ als uitvoeringsnorm opnemen.

Desgewenst kan de deelgemeente via JOS een beroep doen op ondersteuning bij het meer kwalitatief formuleren van opdrachten aan de welzijnsinstellingen in het kader van het jongerenwerk


In overleg tussen stad en deelgemeenten worden een normering bepaald voor de formatie jongerenwerk. JOS ontwikkelt daarvoor een concept-methode.

Ten behoeve van een gezamenlijke oplossing van de hieruit voortvloeiende formatieve knelpunten brengen de gemeente en deelgemeenten samen in kaart welke extra gemeentelijke middelen hiervoor nodig zijn en welke extra kosten gedekt kunnen worden door herschikking binnen de deelgemeentelijke begrotingen. Dit mondt uit in bestuurlijke afspraken m.b.t. implementatie van de overeengekomen normering in afzonderlijke deelgemeenten.


De deelgemeente zal binnen redelijke grenzen de welzijnsinstellingen stimuleren en in de gelegenheid stellen om al hun jongerenwerkers deel te laten nemen aan het scholingstraject dat hoort bij het kwaliteitstraject Ideaal Jongerenwerk.


De deelgemeente zal welzijnsinstellingen stimuleren om gebruik te maken van de in ontwikkeling zijnde jongerenwerkapplicatie die hoort bij het kwaliteitstraject Ideaal Jongerenwerk; aansluiting met lopende systemen moet daarbij mogelijk zijn.


5Stimulering van jeugdparticipatie


Toelichting

De RJR heeft op verzoek van de gemeente een enquête uitgevoerd onder de Rotterdamse jeugd over wat zij vinden van Rotterdam als jongerenstad en welke onderwerpen voor de jeugd op dit moment belangrijk zijn. Op basis van de uitkomsten is vervolgens in samenspraak tussen RJR en de gemeente de Rotterdamse Agenda van de Jeugd opgesteld. Die omvat een 10-tal concrete punten, waarvan er enkele betrekking hebben op of samenhangen met aanbod en inzet binnen de deelgemeenten. Dit betreft onder andere de behoefte aan:

  • een breed programma voor (en mede door) tienermeisjes;

  • betere, uitdagendere en schonere speelruimte;

  • buurthuizen moeten worden gesterkt en meer aansluiten op de vraag van jongeren;

  • meer hangplekken of chill-out plekken voor jongeren;

  • jongerenplatforms e.d. op wijkniveau stimuleren;

  • meer activiteiten voor en door jongeren.



AFSPRAAK:


Feijenoord:

De deelgemeente werkt aan een beleidskader jongerenparticipatie. De dienst JOS ondersteunt door desgewenst op deelgemeenteniveau mee te denken en te adviseren.


Bijlage1a: Subsidievoorwaarden schoolmaatschappelijk werk


  • Schoolmaatschappelijk werk bestaat uit schoolondersteuning, kortdurende hulpverlening, en verwijzing.


  • Scholen en SMW-aanbiedende instellingen leggen hun werkafspraken - in onderling overleg - vast in een jaarlijks vast te stellen werkplan.


  • Er wordt gewerkt volgens het draaiboek schoolmaatschappelijk werk (Servicepunt SMW).


  • Schoolmaatschappelijk werkers hebben een HBO-opleiding maatschappelijk werk + basiscursus SMW. Minimaal eens per 2 jaar vindt bijscholing plaats. De ondersteuning bestaat uit individuele werkbegeleiding en intervisie.


  • De schoolmaatschappelijk werkers registreren digitaal in het OKR-Addendum SMW. Bij verwijzing wordt het OKR-Addendum SMW in zijn geheel ingevuld en overgedragen aan de instelling waarnaar verwezen wordt.


  • U rapporteert door middel van een inhoudelijk verslag op basis van de geregistreerde gegevens. De belemmerende en bevorderende factoren voor de uitvoering van het schoolmaatschappelijk werk (generiek of op schoolniveau) worden hierin genoemd.


De volgende gegevens worden, per school, weergegeven:

  • een overzicht van de activiteiten op het gebied van schoolondersteuning en het aantal keer dat het zorgadviesteam bijeen geweest is;

  • het aantal leerlingen en het percentage t.o.v. het totaal aantal leerlingen, dat in leerlingbesprekingen besproken is;

  • het aantal leerlingen en/of ouders, en het percentage t.o.v. het totaal aantal leerlingen, dat is voorzien van individuele hulpverlening, de duur van de hulpverlening alsmede de aard van de problematiek;

  • het aantal verwijzingen naar Bureau Jeugdzorg;

  • het aantal verwijzingen naar Centrum voor Jeugd en Gezin en DOSA-regisseur;

  • het aantal verwijzingen naar andere hulpverleningsvoorzieningen (s.v.p. specificeren).


Bijlage 1b: Verantwoordingsformat Subsidie SMW

Naam instelling :

Subsidie :

Periode :

Subsidiebedrag :

Verplichtingnr. :


Omschrijving subsidievoorwaarde

Verantwoording subsidievoorwaarde

voorbeeld van een mogelijke verantwoording

In de beschikking staat de inzet in fte vermeldt. Er is een specificatie bijgevoegd met de inzet per school, aangevuld met 10% extra inzet voor het digitaal registreren in het stedelijke registratiesysteem door alle schoolmaatschappelijk werkers als voorbereiding van het indicatiebesluit BJZ (voorposttaken BJZ voor indicatie enkelvoudige problematiek).

Conform de beschikking moet … fte worden ingezet op de scholen. Op de bijgaande specificatie staat de daadwerkelijke inzet per school vermeld. Eventuele afwijkingen t.o.v. de beschikking – met redenen omkleed - aangeven.

Schoolmaatschappelijk werk bestaat uit schoolondersteuning, kortdurende hulpverlening, en verwijzing.

De schoolmaatschappelijk werkers houden zich bezig met schoolondersteuning, dit bestaat o.a. uit ………….,

kortdurende hulpverlening en verwijzing.

Scholen en SMW-aanbiedende instellingen leggen hun werkafspraken - in onderling overleg - vast in een jaarlijks vast te stellen werkplan.

Voor iedere school wordt een werkplan gemaakt. Hierin worden de werkafspraken in onderling overleg vastgelegd.

Er wordt gewerkt volgens het draaiboek schoolmaatschappelijk werk (Servicepunt SMW).

Alle schoolmaatschappelijk werkers werken volgens het draaiboek schoolmaatschappelijk werk.

Schoolmaatschappelijk werkers hebben een HBO-opleiding maatschappelijk werk + basiscursus SMW. Minimaal eens per 2 jaar vindt bijscholing plaats. De ondersteuning bestaat uit individuele werkbegeleiding en intervisie.

De schoolmaatschappelijk werkers hebben een HBO-opleiding maatschappelijk werk + basiscursus SMW. Er heeft ………keer bijscholing plaats gevonden. Alle schoolmaatschappelijk werkers krijgen individuele werkbegeleiding en intervisie.

De schoolmaatschappelijk werkers registreren digitaal in het OKR-Addendum SMW. Bij verwijzing wordt het OKR-Addendum SMW in zijn geheel ingevuld en overgedragen aan de instelling waarnaar verwezen wordt.

Er wordt digitaal geregistreerd in het OKR-Addendum SMW. Wanneer een kind verwezen wordt dan worden alle vragen ingevuld. Het OKR-Addendum SMW wordt vervolgens overgedragen aan de instelling waarnaar verwezen wordt.

Op basis van de geregistreerde gegevens wordt bij de inhoudelijke verantwoording tevens een verslag aangeleverd. De belemmerende en bevorderende factoren voor de uitvoering van het schoolmaatschappelijk werk (generiek of op schoolniveau) worden hierin genoemd.

Als managementinformatie worden de volgende gegevens, per school, weergegeven:

  • een overzicht van de activiteiten op het gebied van schoolondersteuning en het aantal keer dat het zorgadviesteam bijeen geweest is;

  • het aantal leerlingen en het percentage t.o.v. het totaal aantal leerlingen, dat in leerlingbesprekingen besproken is;

  • het aantal leerlingen en/of ouders, en het percentage t.o.v. het totaal aantal leerlingen, dat is voorzien van individuele hulpverlening, de duur van de hulpverlening alsmede de aard van de problematiek;

  • het aantal verwijzingen naar Bureau Jeugdzorg;

  • het aantal verwijzingen naar Centrum voor Jeugd en Gezin en DOSA-regisseur;

het aantal verwijzingen naar andere hulpverleningsvoorzieningen (s.v.p. specificeren).

De belemmerende factoren voor de uitvoering van het schoolmaatschappelijk werk zijn: ………………………... ……………………………………………………………… .

Dit speelt m.n. op de volgende scholen: …………………

………………………………………………………………..

De bevorderende factoren zijn: …………………………..

………………………………………………………………..

………………………………………………………………..

Voor de per school gevraagde geregistreerde gegevens verwijzen wij naar het bijgaande verslag.

Bijlage bijvoegen (aantallen bij voorkeur als excell-bestand aanleveren)


Afbeelding 1

1 Nu nog alleen op kindniveau. Het is de bedoeling dat er in de toekomst ook de mogelijkheid komt om gegevens te koppelen zodat er per gezin of risicogroep overzicht is.

2 Hoflaan NPRS (Kralingen); Waaier (Crooswijk); Zuidwijk (Charlois); Blaak (Centrum); ’t Landje (Centrum); Het Lage Land (Pr. Alexander); Catamaran (IJsselmonde); Bloemhof; (Feijenoord); Parkstad (Feijenoord); Globetrotter (Feijenoord, Katendrecht); De Hoekstee (Hoek van Holland), Willaert/Witte Werf/Rode Wiekel (Barkentijn) (IJsselmonde); Groene Palm/Prins Willem Alexander/v Heuven-Goedhart, (IJsselmonde).


3 Specificatie per deelgemeente:

  • Centrum. Handhaving 4 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 169 VVE plaatsen.

  • Charlois. Handhaving 17 VVE peuterspeelzalen. Handhaving VVE 709 plaatsen. Versneld invoeren VVE flexibel schooljaar 2007-2008 (Pendrecht).

  • Delfshaven. Handhaving 31 VVE  peuterspeelzalen. Handhaving 968 VVE plaatsen. Start pilot ‘Kindcentrum’ schooljaar 2007-2008. Uitbreiding 30 VVE plaatsen.

  • Feijenoord. Handhaving 26 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 773 VVE plaatsen.

  • Hillegersberg- Schiebroek. Handhaving 2 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 56 VVE plaatsen. Inventarisatie extra aanbod VVE flexibel.

  • Hoek van Holland. Versneld invoeren VVE op 2 peuterspeelzalen, schooljaar 2007-2008.

  • Hoogvliet. Handhaving 10 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 341 VVE plaatsen.

  • IJsselmonde. Handhaving 15 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 582 VVE plaatsen.

  • Kralingen – Crooswijk. Handhaving 12 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 351 VVE plaatsen. Inventarisatie extra aanbod VVE flexibel.

  • Noord. Handhaving 16 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 370 VVE plaatsen.

  • Overschie. Handhaving 2 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 28 VVE plaatsen.

  • Pernis. Versneld invoeren van VVE programma op 1 peuterspeelzaal, schooljaar 2007-2008.

  • Prins- Alexander. Handhaving 8 VVE peuterspeelzalen. Handhaving 279 VVE plaatsen.

4 Met uitzondering van (outreachend) kinder-, jeugd- en jongerenwerk dat met name gericht is op bereik en uitvoering op straat (Duimdrop, TOS, speeltuinwerk enz.)




Zoeken
Uitgebreid zoeken