|
|
DEELRAADSFRACTIEKRALINGEN CROOSWIJK |
Datum : 3 december 2006
Betreft : VVD-vragen inzake bouwplan Polanenstraat 7-13
De VVD-fractie heeft kennisgenomen van de plannen voor het bouwen van een woongebouw aan de Polanenstraat nummer 7-13, waarover in een eerdere fase vele zienswijzen zijn ingediend door belanghebbenden en waarvoor het DB op 10 november jl. heeft besloten een bouwvergunning te verlenen (publicatie op de deelgemeentepagina van 22 november jl.). Ze heeft hierover de volgende vragen:
-
Is het het DB bekend dat in de zienswijzenprocedure door één of meer belanghebbenden schriftelijk is gevraagd om een hoorzitting/ bewonersinformatiebijeenkomst, althans is uitgesproken dat betrokkene er vanuit gaat dat er een dergelijke bijeenkomst zal worden belegd?
-
Acht het DB het denkbaar dat, gezien de vele zienswijzen en bezwaren van de circa honderd omwonenden en de gecompliceerde ruimtelijke situatie, een bewonersinformatiebijeenkomst tot inzichten geleid zou hebben die het niet heeft verkregen of heeft kunnen verkrijgen op grond van uitsluitend de schriftelijk ingediende zienswijzen?
-
Zo ja, waarom heeft deze bijeenkomst niet plaats gevonden?
-
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend is, is het DB dan met ons van mening dat het uit een oogpunt van goed bestuur wenselijk is om op enigerlei wijze alsnog de gelegenheid te creëren om in dit manco te voorzien?
-
Zo ja, is het DB bereid om, voordat de bouwvergunning onherroepelijk is geworden, alsnog een informatiebijeenkomst te beleggen, al dan niet in het kader van de bezwaarschriftenprocedure, waarin díe punten aan de orde kunnen komen die belanghebbende hadden willen bespreken, respectievelijk toelichten in de eerder bedoelde hoorzitting?
-
Is het DB met ons van mening dat de formulering, in een brief aan indieners van zienswijzen d.d. 13 juni 2006 (06/01229), luidende “Het dagelijks bestuur (….) heeft (…..) besloten bouwvergunning te verlenen (…….)”, bij de geadresseerden de indruk kan wekken dat hier sprake was voor een bezwaar vatbaar besluit?
-
Zo nee, waarom niet; zo ja, is het DB bereid om de formulering van brieven in vergelijkbare gevallen in de toekomst aan te passen, zodat voorkomen wordt dat belanghebbenden op het verkeerde been gezet worden en tijd besteden aan het maken van bezwaar tegen ‘besluiten’ die geen voor bezwaar vatbare besluiten zijn?
-
Is het het DB bekend dat aan aantal zeer nabijgelegen panden aan de Hoflaan een uitermate kwetsbare bouwwijze kent (onder meer niet of zeer beperkt is gefundeerd en gedeeltelijk gebouwd is van halfsteens muren), zodat de kans zeer groot is dat zwaar verkeer en heiwerkzaamheden tot schade aan deze karakteristieke en voor de Hoflaan gezichtsbepalende panden leidt?
-
Is het DB met ons van mening dat het gewenst is om, bij een zo groot risico voor bestaande panden zoals hierboven omschreven, vooraf extra waarborgen te scheppen, respectievelijk maatregelen te nemen, en het beleid niet uitsluitend te baseren op het uitgangspunt dat de wetgever heeft voorzien in een privaatrechtelijke regeling voor vergoeding van achteraf vastgestelde bouwschade?
-
Heeft het DB overwogen om te bevorderen dat het bestaande complex aan de Polanenstraat een nieuwe bestemming krijgt en hiertoe wordt verbouwd?
-
Op grond van welke feiten, resp. welke wijziging in het definitieve plan ten opzichte van een eerdere versie, heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in zijn brief van 20 oktober jl. kennelijk zijn in zijn brief van 7 juni jl. geformuleerde bezwaren tegen de sterk met de lage woningen aan de Hoflaan contrasterende bouwhoogte laten varen?
-
Een bouwkundig deskundige omwonende stelt dat de begrote bouwkosten van het project zeer laag zijn, terwijl tevens de kans bestaat dat (bijvoorbeeld door aanvullende eisen ten aanzien van het leidingstelsel) de hoogte van de vijfde woonlaag de hoogte van 12 meter zal verschrijden, waardoor alsnog de aanleg van een lift wordt vereist, met als mogelijk gevolg dat het project financieel onhaalbaar wordt, respectievelijk zeer eenvoudig zal worden afgewerkt, respectievelijk de woningen zeer moeilijk verkoopbaar worden. Acht het DB dit gewenst?
-
Is het DB met ons van mening dat ervan mag worden uitgegaan dat een nieuw bestemmingsplan de actuele opvattingen weerspiegelt en dat derhalve vrijstellingen ex artikel 19 in geval van nieuwe bestemmingsplannen in het algemeen niet voor de hand liggen, althans veel minder dan bij bestemmingsplannen die reeds vele jaren gelden zijn vastgesteld?
-
Zo ja, wat zijn dan de dringende redenen om bij het onderhavige plan tóch af te wijken van het in het (zelfs nog niet door Provinciale Staten vastgestelde) bestemmingsplan ‘Beschermd Stadsgezicht’ bepaalde maximale aantal bouwlagen?”
Namens de VVD fractie,
Herbert van Sluys

